GUINÉ-BISSAU   

    feiten, impressies en beelden       

IMPRESSIES en VISIES 

2004 - 2019

 (copyright René Gussenhoven)


__________________________________________________________________________________________

6 september 2019 

Tweede generatie

Af en toe moet ik wel eens naar Bissau vanuit mijn dorp. De afstand van mijn huis tot het presidentieel paleis is precies 10 kilometer en de reis heen per taxi wil wel eens een uur of langer duren vanwege de dagelijkse files op de enige grote toegangsweg (driebaans)  tot de stad. Daar in de buurt van het paleis ga ik eens per maand of zo vaak als nodig is geld trekken uit een van de schaarse ATM’s die deze stad rijk is. Ik ben altijd weer opgelucht als het gelukt is en ik het geld cash in mijn handen heb. Het wil namelijk ook wel eens mis gaan: de automaat is leeg of er zijn netwerkproblemen of de automaat is kapot. Toen het afgelopen week toch weer mooi gelukt was en de stortbui waarin ik de heenreis had aanvaard het centrum van de stad een prettige schoongespoelde indruk had geschonken, besloot ik op een van de bankjes van het plein voor het presidentieel paleis te gaan zitten, waarop ik al snel wegmijmerde naar de jaren dat ik ’s ochtends, in gezelschap van andere dames en heren ettelijke rondjes rond datzelfde plein liep alsof de dood - of omdat de dood - ons op de hielen zat. Ik woonde er toen pal om de hoek, vlakbij het werkadres van de toenmalige minister-president Carlos Gomes Júnior, die toen nog niet wist dat hij spoedig bij een militaire staatsgreep verdreven zou worden en zich 7 jaren daarna als presidentskandidaat zou melden, het kan verkeren. Het paleis was toen nog altijd niet opgeknapt na de beschietingen en vernielingen van de oorlog van 1998/1999 en er woonde dus ook geen president. Maar begin 2014 was het paleis dan eindelijk zo fraai herbouwd dat de huidige president er zijn intrek kon nemen en daarmee kreeg het plein als geheel na nog andere ingrepen van stedenbouwkundige aard een zekere charmante uitstraling, waardoor ook toeristen gevoelig zijn, met name als zij met hun rug naar de president gaan staan en dan in de verte aan het eind van een van de drie toegangswegen tot het plein de rivier zien liggen. In niet veel hoofdsteden is het je vergund vanuit het centrale plein van de stad een grote rivier en daarmee de toegang tot de oceaan te aanschouwen, ik ken er twee:  Bissau en Lissabon. Dat heeft me in beide steden vanaf de eerste ontmoeting voor haar ingenomen. Dat heeft mogelijk te maken met mijn Scheveningse achtergrond: altijd de zee in de buurt willen hebben. Mijn dromen werden verstoord toen twee personen, een man en een vrouw, die ik tijdens mijn mijmeringen al wel over het plein had zien rondzwerven, naast mij op de bank plaats namen, eerst zij, hij talmde nog. Ze waren ongetwijfeld een echtpaar, zeg maar twee mensen, in dit geval van verschillende kunne, die met elkaar getrouwd zijn. Op regen voorbereid en daar waarschijnlijk eerder tijdens hun excursie al door overvallen waren ze beiden gehuld in een bijna transparante rose plastic jas met capuchon, waaronder zij een korte broek droegen, de internationale toeristendracht, waardoor niet alleen Bissau en Lissabon ontsierd worden. Zij had haar capuchon afgetrokken, het regende immers ook niet meer, maar hij had zijn capuchon nog ferm om zijn nek geknoopt, terwijl we inmiddels toch wel weer 32 graden verdroegen onder een helderblauwe hemel met voorbijschuivende schaapjeswolken. De vrouw glimlachte verontschuldigend naar me en vroeg me in het Engels of het toegestaan was om van het paleis een foto te maken. Ik legde haar uit dat dat helemaal afhankelijk was van wie haar zou zien fotograferen, maar dat ze gerust een poging zou kunnen wagen. Haar man - tenminste dat was zijn door mij toebedeelde rol – die tot dan toe naast zijn vrouw gestaan had, zeeg nu ook naast me neer als een leeglopende ballon en keek onbestemd voor zich uit via brillenglazen die óf een schoonmaakbeurt nodig hadden óf misschien wel duidden op een oogaandoening waarbij matte lenzen verlichting brengen. Zijn vrouw boog zich in mijn richting en vertelde me, als betrof het een zorgvuldig te bewaren geheim, dat ze uit Engeland kwamen en dat haar man van Portugese afkomst was. “His father” had hier in de oorlog gevochten en nu zijn vader vorig jaar was overleden, wilde hij zo graag een keer Guiné-Bissau zien. Ze zei het met een air alsof ze voor zichzelf wel aardiger vakantiebestemmingen had kunnen bedenken. O yes the war, zei ik, yes the war, veel meer kon of wilde ik niet verzinnen. So daarom waren ze here en nu wilde ze foto’s maken van dit plein en van het paleis. Terwijl ze dat zei, frommelde ze in de rugzak die haar man droeg, duwde hem al doende een beetje voorover zodat ze zich gemakkelijker toegang kon verschaffen en trok er een fraaie camera uit. De man verdroeg dat zonder enige verandering van blik en ook zonder een woord te zeggen. Terwijl ze zich gereed maakte om met de camera het plein richting paleis over te steken voegde ze me vertrouwelijk toe: “he also should see the palace, it is history for him isn’t it, his father was here, it is his war too”. Hij is vorig jaar overleden, zo ging ze zichzelf herhalend verder, en nu trof het me dat ze het zei alsof ze vond dat er van een zekere ongerijmdheid sprake was: vechten in een oorlog die in 1974 was afgelopen en dan pas in 2018 doodgaan. Terwijl ze zo tegen me sprak, trok ze haar man van de bank en duwde hem – anders kan ik het niet noemen – in de richting van het paleis. Ik bleef als verwonderde toeschouwer achter en zag de vrouw druk heen en weer lopen met de camera, zich dan weer eens hier dan weer eens daar op richtend. De man keek naar de grond en niet naar de plekken op het plein, waarop de vrouw zich al fotograferend oriënteerde. Zoals hij naar niets leek te kijken, zo keek zij niet naar hem. Ze duwde hem soms geroutineerd opzij, zijn elleboog als instrument gebruikend, zodat ze zijn rug ter beschikking had, de rugzak dus, haar man, die eigenlijk steeds meer een mobiele  rugzak bleek, ze stopte erin wat ze weer even kwijt moest, de telelens, haar flesje water. Het geluid van haar wat te hoog gehakte schoenen die zich schrap zetten op het natte grint van het plein om naar de volgende foto op zoek te gaan, leek hem steeds uit een diepe slaap te wekken. Toen ze haar actie voltooid had, kwam ze tevreden lachend op me af, zeggend dat there no problem at all was en dat dat maar goed was ook, want the United Kingdom had hier geen ambassade en wat moesten ze dan doen bij problemen, daarbij keek ze bijna beschuldigend naar haar man die nog steeds geen woord gezegd had. Was er mogelijk van een of ander probleem sprake geweest ? Was het de man een keer allemaal teveel geworden en had hij voortijdig naar huis gewild of gemoeten ? Terwijl ze voortrebbelde, stopte ze haar camera in de rugzak van haar man die in dienstbare houding met zijn rug naar ons toe stond. But before we go to the hotel – riep ze opeens verheerlijkt uit – we will take a cab and do some shopping down town. Nadat de man geduldig het gefrommel op zijn rug verdragen had waarbij hij recht voor zich uit was blijven staren, draaide hij zich plotseling om en zei hij met onverwacht luide en barse stem langs zijn vrouw heen kijkend tegen mij, waarbij zijn ogen achter de matte glazen vervaarlijk oplichtten: We are down town dear. Toen ze kort daarna in de door haar aangehouden taxi stapten, hij achterin met zijn rugzak op schoot en zijn capuchon nog steeds omgeknoopt, zij voorin druk gebarend in gesprek met de chauffeur, schoot door mij heen dat de oorlog in Guiné-Bissau van de vader decennia geleden beëindigd was, maar dat het einde van die van de zoon voorlopig nog niet in zicht leek.

________________________________________________________________________________________________

2013

Vrouw op weg

Schuin tegenover mijn voortuin ligt een vrouw op de weg, niet aan de rand ervan maar midden op de weg. Ze ligt op haar rug, onbeweeglijk, wijdbeens en wijdarms, naakt met slechts een kleine kletsnatte reep textiel om haar middel die tegen de binnenkant van haar rechterdij plakt, zoals haar hoofd, naar rechts gedraaid, op het natte vuile plaveisel  geplakt lijkt. Haar ogen zijn wijd opengesperd en als ik me over haar heen buig hoor en zie ik tot mijn geruststelling een zware en regelmatige ademhaling. Volgens de omstanders  blijkt ze niet aangereden te zijn, maar gevallen te zijn of er zelf zijn te gaan liggen. Niemand schijnt haar te kennen, ook het dorpshoofd niet, die zich ook bij de gestaag  uitdijende groep toeschouwers heeft gevoegd. Sommige vrouwen roepen en schreeuwen tegen haar en trekken aan haar armen en benen, maar de vrouw geeft geen krimp en geen kik. Ik besluit een  bevriende verpleger te bellen, of-tie wil komen met een ambulance. Ons gesprek is nog niet afgelopen of de vrouw staat op, werpt de toeschouwers een woeste blik toe en rent in een verbazingwekkende snelheid midden over de weg zo’n honderd meter  van ons vandaan om daar weer in dezelfde houding op het wegdek te gaan liggen.  Dit herhaalt zich een aantal malen en de aanvankelijke reserve bij het publiek maakt gaandeweg plaats voor uitgelaten vrolijkheid. Als de vrouw pal naast onze waterput is neergestreken, komen twee oudere mensen vanachter de bosrand aangesneld. Zij blijken haar ouders te zijn. Met door mijn buurvrouwen aangereikte emmers beginnen ze water over haar heen te gooien, de door de regen al doorweekte aarde wordt een modderpoel. Als de ambulance met mijn vriend arriveert proberen haar ouders met hulp van enkele omstanders  haar van de grond omhoog te trekken, maar ze slaat wild om zich heen en probeert te bijten. Als mijn vriend door de modder glibberend naderbij komt en goedbedoeld zijn hand op haar onderarm legt, probeert ze ook daar haar tanden in te zetten. Bij de poging dat te voorkomen verliezen haar ouders hun evenwicht en vallen languit in de modder. Het publiek schatert het nu uit, de arme ouders toveren een meelijwekkende grimas tevoorschijn. Het is duidelijk dat vriend en ambulance niet veel kunnen betekenen, het ziekenhuis ook niet, want dat heeft geen psychiater, het hele land heeft geen psychiater. Er lopen dan ook nogal veel ernstig verwarde volwassenen door Bissau. Uiteindelijk lukt het de ouders en buurtgenoten de vrouw op de been te krijgen en naar huis mee te nemen. De buurtgenoten verspreiden zich, het begint al donker te worden.

Na een paar dagen staat de moeder van de vrouw aan mijn deur. De familie heeft besloten een ceremonie te doen om de kwade geesten uit haar hoofd te jagen en daarbij is een geit onontbeerlijk. Of ik die wil kopen. Ja, dat wil ik wel, wat kan je bij ontstentenis van psychiaters beter doen dan een geit kopen.

__________________________________________________________________________________________

2012 

Witte heeft geen vrouw

Aan de waterput aan de rand van het bos wacht iedereen geduldig op zijn beurt, of op haar beurt moet ik zeggen, want voor en achter mij staan uitsluitend vrouwen van uiteenlopende leeftijd, bijna allen met een baby of peuter op de rug. De zon is net opgekomen en geeft nog meer kleur aan de mensen om mij heen en aan hun kleding.  Het opwaaiende stof, onvermijdelijk in de zanderige omgeving waarin we wonen, zorgt voor grijstinten op de gezichten van de mensen om me heen, die straks tijdens de weg naar huis met een emmer of teil op het hoofd, niet alleen door het af en toe over de randen van de emmers en teilen wegklotsende water maar meer nog door zweet van inspanning en hitte weggewassen zullen worden. In het vroege ochtendlicht zie ik op enige afstand van de put enkele mannen onder een boom zitten, ongetwijfeld familieleden van de rond de waterput wachtende vrouwen. En zoals ik deze buurmannen nu voor het eerst zie, zo zien zij voor het eerst in de nabijheid van hun vrouwen, dochters, moeders en tantes een lange witte man bij de put staan, ik ben de nieuwe buurman, gisteren verhuisd van de stad naar hun dorp. Mijn ochtendgroet wordt vriendelijk beantwoord. “Witte heeft geen vrouw ?”, stelt een van de mannen vervolgens vast, al giet hij uit beleefdheid zijn correcte waarneming in de vorm van een vraag. Ik weet na acht jaren Afrika dat deze frase niet een belangstelling voor mijn burgerlijke staat weerspiegelt, maar een bevreemding: een man hoort geen water te halen. In de lacherige discussie die volgt, wordt mij uitgelegd dat er voldoende vrouwen zijn in het dorp die dat voor mij kunnen doen, die kunnen bovendien mijn kleren wassen en mijn vloer schoonmaken. Als ik zeg dat ik zelf mijn huis schoonmaak en dat mijn tuinman niet alleen de tuin doet maar ook mijn kleren wast, is de vrolijke verwarring compleet. Rare witte, die ik er ben. Als het mijn beurt is geweest slof ik na uitgebreide wederzijdse groeten met aan elke hand een emmer water naar huis.

Als ik aan het eind van de middag, in het begin van de avondkoelte, op mijn veranda een boek zit te lezen zie ik een van de buurmannen van vanmorgen langslopen met – het is niet waar – aan elke hand een overvolle emmer water. “Zwarte heeft geen vrouw”, roep ik lachend, denkend daarmee snedig op de opmerking van vanmorgen terug te komen. Glimlachend loopt hij verder, terwijl hij voor zich uit roept: dit is water om cementblokken mee te maken. Oh, zeg ik een beetje sullig en ik besef dat witte weliswaar geen vrouw heeft, maar wel een vooroordeel had. Water halen is niet alleen voor vrouwen, vrouwen halen water voor vrouwenwerk, dat wel. Maar mannen halen ook water, namelijk  indien ze dat nodig hebben voor zwaar mannenwerk. En ze vervoeren dat water niet op hun hoofd, maar met hun sterke mannenarmen. Tenminste, in mijn dorp is dat zo.

Bovenstaand verhaal is eerder gepubliceerd in De Psycholoog, tijdschrift van het NIP, Nederlands Instituut van Psychologen.

__________________________________________________________________________________________

2006

Condoom uit de hoed in de ramadan

Naar het historische Cassacá ging ik op weg deze week. Er zijn landen in Afrika, waar, anders dan in Guiné-Bissau, het toerisme vanuit Europa volop in ontwikkeling is. In die landen worden door de avontuurlijke toerist honderden euro’s neergeteld om deel te kunnen nemen aan een reis, zoals die ik in de afgelopen week mocht afleggen. Ik mocht die reis maken omdat het deel uitmaakt van mijn werk en ik krijg er nog een toelage per dag voor ook. Het is wreed – maar ik geloof niet in een schepper of  bovenmenselijke bestierder wie het te verwijten valt – dat een zo mooie wereld als waarin ik mocht vertoeven tevens ook zo’n straatarme en in menig ander opzicht ellendige wereld is. Nooit eerder heb ik de door dik en hoog optorenend gebladerte omfloerste echo gehoord van het gelach van kinderen, het vijzelend stampen in de houten kookpot door de vrouwen en meisjes, het gemekker van honderden geitjes, het kabbelen van kleine stroompjes, het voortdurende gezang van vogels, ieder naar zijn soort . Het is een echo die eeuwen geleden ook al gehoord moet zijn, want ze wordt niet aangetast door het geluid van een auto, een radio, een bromfiets, een afgaand mobieltje, het is volslagen rust, een rust waarvan je moet bekomen. In die rust heb ik met vele mensen gesproken, schooltjes bezocht, in het diepe woud verstopte dorpjes betreden, handen geschud, gezwaaid, schouders, armen en hoofden vastgehouden, wangen gestreeld, lollies uitgedeeld, leesbrillen beloofd. Voor het eerst heb ik, uit hoofde van mijn functie, maar geheel onvoorbereid want ik was niet op de hoogte gesteld, deelgenomen aan een bijeenkomst  “in het veld”, en wel aan een door Unicef gesponsorde bijeenkomst over seksueel overdraagbare aandoeningen, waarbij dorpsoudsten, in deze streek dikwijls de islam toegedaan, al dan niet in slaap vielen aan te kleine en gammele lessenaartjes, terwijl de trage door Unicef vrijgehouden Guiné-Bissause lerares met onvaste hand en met voortdurend brekend krijt geslachtsorganen op het verweerde schoolbord trachtte te tekenen. En nee, de puntjes boven penis en vagina waren niet de bacteriën van de aandoening (goede vraag van die oude in vaalwitte doeken verstopte oude man !), maar de schaamhaartjes. En even traag maakte ze van elk puntje een streepje alsof ze elk haartje eigenhandig moest implanteren……nog dieper werd bij de meeste oude mannen de slaap. Toen uit de voortkabbelende monoloog van de lerares viel op te maken dat zij voor al die door seksuele omgang ontstane medische narigheid wel een oplossing wist: het konijn uit de hoed: het condoom !, was het opeens gedaan met de rust van de oude islamieten, voor wie het overigens de eerste dag van de Ramadan was, dus niet zo slim gepland door Unicef. Nooit zou een islamiet een condoom kopen, laat staan omdoen ! De mannen werden er klaarwakker van en het gemopper was niet van de lucht. Er waren  er die opstonden en met hun vinger in de richting van de bordtekeningen en de beklagenswaardige lerares priemden. Kan het ook erger, je begint net aan een maand van seksuele onthouding omdat de profeet dat zo schijnt te willen en dan komt een onverlaat – en ook nog eens een vrouw - je vertellen dat je  straks als het over een maand weer mag je eerst een rubbertje over je uitgehongerde ding moet doen. Katholieke en animistische “groten” vertoonden hetzelfde afgrijzen, maar bij hen bleek de afkeer van het condoom niet zozeer in relatie te staan met het ongoddelijke karakter ervan als verstoorder van de door enig opperwezen voorgeschreven orde, maar meer met de prijs en de afname van het mannelijk plezier vanwege en na het omhullen van zijn geslacht. Moedeloos en lichtelijk angstig zeeg de trage lerares ineen achter haar tafeltje en keek ze me hoopvol aan voor een antwoord, voor een weerwoord haast, van die lange witte man uit Europa met het gitzwarte tweejarige kleindochtertje van een der deelnemers op schoot, dat zojuist diens broek onbekommerd had ondergepiest.  En zo geviel het dat ik opstond en het woord nam, met op kruishoogte een grote vochtplek in mijn broek, om me uit te spreken over het mannelijk genot als hij bij de vrouw naar binnen gaat, alsof ik wist waar ik het over had, en over het belangrijke onderscheid tussen gezondheid en religie. Ik had veel baat bij mijn ervaring met omgang met dogmatische islamitische ouders in moskee en school in Nederland en produceerde dus veel van respect getuigende onzin met een vleugje zin aan het eind (hoop ik). De katholieken en animisten waren blij met me, de islamieten deden alsof ze dat ook waren, want aardig en respectvol zijn is belangrijker dan je gelijk halen. En de lerares zong daarna mijn lof bij haar collega’s.

Bovenstaand verhaal is een fragment uit mijn in 2011 verschenen boek Vandaag Geen Koud Water. 

_______________________________________________________________________

2005

Slipdrager 

In Bissau kan je op straat alles kopen, en dan bedoel ik niet dat je op de markt alles kan kopen of bij de enkele door Portugezen of Libanezen bestierde winkels, maar dat alles wat je kunt bedenken wel een paar keer per week, voortgeduwd op karren, opgetast op hoofden en vastgebonden aan ruggen aan je huis voorbij trekt. Zo komen er wankelend op een mannenhoofd grote in elkaar geplaatste  kuipen langs, hele koffersets of een enorm opgerold tapijt, pannen, wasrekken, accu’s, gettoblasters, televisiemeubels, een man zie ik al een jaar met een bed op zijn hoofd ronddolen. En dan is er het leger van jongens dat in Europa als te oud, te lelijk of te versleten beschouwde en daarom weggegooide handdoeken, lakens en gordijnen verkoopt, een onuitputtelijke voorraad die geregeld in containers de haven bereikt.  Roepen doen die verkopers niet, ze lopen gewoon langs, dikwijls met hun blik op oneindig, voortschuifelend in de geselende hitte, ze verwachten dat de potentiële koper, meestal koopster, hun aandacht trekt door naar hen te roepen. De meeste verkopers zijn Fula, soms uit het oosten van het land, uit de omgeving van Gabú, vaker nog uit Guiné-Conakry of Senegal. Trots en ernstig zien ze er uit, die Fula mannen in hun lange gewaden, ook als ze met lange stokken volgehangen met bontgekleurd en iel damesondergoed over hun schouder door de straten lopen. Tot die laatste groep behoort een oudere statige man, die geregeld door mijn overbuurvrouwen geroepen wordt en die daarop dan met een vermoeide maar niettemin sierlijke draai hun erf opstapt, waarbij de slipjes wapperend voor en achter met hem meedraaien. Mijn buurvrouwen zijn niet van het slag dat ze eerst eens een rustig gesprekje met die man aanknopen, nee, die graaien meteen rond in de koopwaar, haken het van de stok af, houden het voor zich op ooghoogte, spannen de bovenkant ervan rond hun middel, draaien met hun kont, duwen elkaar weg, lachen, schateren, nee toch maar die kleur, liever nog die met kantwerk afgezet. Het is een wonderbaarlijke tegenstelling: naast die grijpgrage van kooplust opgewonden vrouwen die stille man in zijn vale kleed en op doorgelopen slippers: zwijgend, ernstig, met vermoeide ogen, ingevallen wangen, bijna grijze baard. Misschien helpt de islam hem bij een confrontatie met mijn buurvrouwen en beschouwt hij met zijn last aan damesslipjes de dagelijkse plaag van zijn rumoerige vrouwelijke clientèle als een kwelling die hij moet verdragen, elke dag weer behalve op vrijdag,  tot meerdere glorie van de Almachtige en mogelijk ook ter verzekering van een ruimhartige beloning na de dood, zoals de koran hem die in het vooruitzicht stelt: dadelbomen en granaatappelbomen, ook oogverblindende meisjes, schoonheden die apart in tenten zitten, ze zitten daar leunend op groene kussens en prachtige tapijten, geen mens of djin heeft hen nog aangeraakt. Er zijn er die voor minder even een andere kant uitkijken of een tijdelijk ongemak verdragen. Maar al kent die man, ingetogen vertegenwoordiger van een oud herdersvolk, in zijn geloof mogelijk een rust en vertroosting die ik zelf nooit gekend heb of zal kennen, toch heb ik met hem te doen, temeer daar ik mijn buurvrouwen nog nooit iets heb zien kopen, ze maken een hoop herrie en na een paar minuten kan de verkoper in kwestie doorgaans zonder dat er enige transactie heeft plaatsgevonden zijn vermoeiende tocht door de straten van de hoofdstad voortzetten. Dus als de vrouwen vanaf de overkant van de straat en gewoontegetrouw schreeuwenderwijs om geld naar me roepen, nu niet voor bier of wijn, maar om van die verstilde Fula man een paar zuurstokkleurige lapjes textiel te betrekken om daarmee hun schaamte maar meer nog hun voortdurend opspelende lust te bedekken, zien ze waarschijnlijk al aan mijn gezicht dat ik “voor deze keer dan” over mijn hart zal strijken en ze weten niet dat ik dat doe omwille van die man en niet om de dames te plezieren die niettemin kontschuddend en schaterend, altijd schaterend, en met hun sleetse slippers over het gehavende plaveisel schuivend, op mijn tuinhek af strompelen, het slipje van hun keuze boven hun hoofd draaiend en natuurlijk willen ze weten welk slipje ik het mooist vind en ik vind ze allemaal mooi zolang ik ze niet in gebruik hoef te zien zogezegd en de brutaalste vrouw voeg ik toe dat ze een veel te dikke kont heeft voor zo’n klein broekje, dus rennen ze schaterend met mijn  geld in hun hand naar de verkoper, die op afstand zonder enige emotie te tonen heeft toegekeken. Als de koop gesloten is, draait de man weer de straat op met zijn veelkleurige en lichtelijk obscene waar en gunt hij mij een brede lach, die mogelijk uitdrukt dat we lotgenoten in berekenende verdraagzaamheid zijn.

Bovenstaand verhaal is een fragment uit mijn in 2011 verschenen boek Vandaag Geen Koud Water. 

_______________________________________________________________________