IMPRESSIES

2004 - 2017

 

(copyright René Gussenhoven)

 

 

2005

Slipdrager 

In Bissau kan je op straat alles kopen, en dan bedoel ik niet dat je op de markt alles kan kopen of bij de enkele door Portugezen of Libanezen bestierde winkels, maar dat alles wat je kunt bedenken wel een paar keer per week, voortgeduwd op karren, opgetast op hoofden en vastgebonden aan ruggen aan je huis voorbij trekt. Zo komen er wankelend op een mannenhoofd grote in elkaar geplaatste  kuipen langs, hele koffersets of een enorm opgerold tapijt, pannen, wasrekken, accu’s, gettoblasters, televisiemeubels, een man zie ik al een jaar met een bed op zijn hoofd ronddolen. En dan is er het leger van jongens dat in Europa als te oud, te lelijk of te versleten beschouwde en daarom weggegooide handdoeken, lakens en gordijnen verkoopt, een onuitputtelijke voorraad die geregeld in containers de haven bereikt.  Roepen doen die verkopers niet, ze lopen gewoon langs, dikwijls met hun blik op oneindig, voortschuifelend in de geselende hitte, ze verwachten dat de potentiële koper, meestal koopster, hun aandacht trekt door naar hen te roepen. De meeste verkopers zijn Fula, soms uit het oosten van het land, uit de omgeving van Gabú, vaker nog uit Guiné-Conakry of Senegal. Trots en ernstig zien ze er uit, die Fula mannen in hun lange gewaden, ook als ze met lange stokken volgehangen met bontgekleurd en iel damesondergoed over hun schouder door de straten lopen. Tot die laatste groep behoort een oudere statige man, die geregeld door mijn overbuurvrouwen geroepen wordt en die daarop dan met een vermoeide maar niettemin sierlijke draai hun erf opstapt, waarbij de slipjes wapperend voor en achter met hem meedraaien. Mijn buurvrouwen zijn niet van het slag dat ze eerst eens een rustig gesprekje met die man aanknopen, nee, die graaien meteen rond in de koopwaar, haken het van de stok af, houden het voor zich op ooghoogte, spannen de bovenkant ervan rond hun middel, draaien met hun kont, duwen elkaar weg, lachen, schateren, nee toch maar die kleur, liever nog die met kantwerk afgezet. Het is een wonderbaarlijke tegenstelling: naast die grijpgrage van kooplust opgewonden vrouwen die stille man in zijn vale kleed en op doorgelopen slippers: zwijgend, ernstig, met vermoeide ogen, ingevallen wangen, bijna grijze baard. Misschien helpt de islam hem bij een confrontatie met mijn buurvrouwen en beschouwt hij met zijn last aan damesslipjes de dagelijkse plaag van zijn rumoerige vrouwelijke clientèle als een kwelling die hij moet verdragen, elke dag weer behalve op vrijdag,  tot meerdere glorie van de Almachtige en mogelijk ook ter verzekering van een ruimhartige beloning na de dood, zoals de koran hem die in het vooruitzicht stelt: dadelbomen en granaatappelbomen, ook oogverblindende meisjes, schoonheden die apart in tenten zitten, ze zitten daar leunend op groene kussens en prachtige tapijten, geen mens of djin heeft hen nog aangeraakt. Er zijn er die voor minder even een andere kant uitkijken of een tijdelijk ongemak verdragen. Maar al kent die man, ingetogen vertegenwoordiger van een oud herdersvolk, in zijn geloof mogelijk een rust en vertroosting die ik zelf nooit gekend heb of zal kennen, toch heb ik met hem te doen, temeer daar ik mijn buurvrouwen nog nooit iets heb zien kopen, ze maken een hoop herrie en na een paar minuten kan de verkoper in kwestie doorgaans zonder dat er enige transactie heeft plaatsgevonden zijn vermoeiende tocht door de straten van de hoofdstad voortzetten. Dus als de vrouwen vanaf de overkant van de straat en gewoontegetrouw schreeuwenderwijs om geld naar me roepen, nu niet voor bier of wijn, maar om van die verstilde Fula man een paar zuurstokkleurige lapjes textiel te betrekken om daarmee hun schaamte maar meer nog hun voortdurend opspelende lust te bedekken, zien ze waarschijnlijk al aan mijn gezicht dat ik “voor deze keer dan” over mijn hart zal strijken en ze weten niet dat ik dat doe omwille van die man en niet om de dames te plezieren die niettemin kontschuddend en schaterend, altijd schaterend, en met hun sleetse slippers over het gehavende plaveisel schuivend, op mijn tuinhek af strompelen, het slipje van hun keuze boven hun hoofd draaiend en natuurlijk willen ze weten welk slipje ik het mooist vind en ik vind ze allemaal mooi zolang ik ze niet in gebruik hoef te zien zogezegd en de brutaalste vrouw voeg ik toe dat ze een veel te dikke kont heeft voor zo’n klein broekje, dus rennen ze schaterend met mijn  geld in hun hand naar de verkoper, die op afstand zonder enige emotie te tonen heeft toegekeken. Als de koop gesloten is, draait de man weer de straat op met zijn veelkleurige en lichtelijk obscene waar en gunt hij mij een brede lach, die mogelijk uitdrukt dat we lotgenoten in berekenende verdraagzaamheid zijn.

Bovenstaand verhaal is een fragment uit mijn in 2011 verschenen boek Vandaag Geen Koud Water. 

_________________________________________

2006

Condoom uit de hoed in de ramadan

Naar het historische Cassacá ging ik op weg deze week. Er zijn landen in Afrika, waar, anders dan in Guiné-Bissau, het toerisme vanuit Europa volop in ontwikkeling is. In die landen worden door de avontuurlijke toerist honderden euro’s neergeteld om deel te kunnen nemen aan een reis, zoals die ik in de afgelopen week mocht afleggen. Ik mocht die reis maken omdat het deel uitmaakt van mijn werk en ik krijg er nog een toelage per dag voor ook. Het is wreed – maar ik geloof niet in een schepper of  bovenmenselijke bestierder wie het te verwijten valt – dat een zo mooie wereld als waarin ik mocht vertoeven tevens ook zo’n straatarme en in menig ander opzicht ellendige wereld is. Nooit eerder heb ik de door dik en hoog optorenend gebladerte omfloerste echo gehoord van het gelach van kinderen, het vijzelend stampen in de houten kookpot door de vrouwen en meisjes, het gemekker van honderden geitjes, het kabbelen van kleine stroompjes, het voortdurende gezang van vogels, ieder naar zijn soort . Het is een echo die eeuwen geleden ook al gehoord moet zijn, want ze wordt niet aangetast door het geluid van een auto, een radio, een bromfiets, een afgaand mobieltje, het is volslagen rust, een rust waarvan je moet bekomen. In die rust heb ik met vele mensen gesproken, schooltjes bezocht, in het diepe woud verstopte dorpjes betreden, handen geschud, gezwaaid, schouders, armen en hoofden vastgehouden, wangen gestreeld, lollies uitgedeeld, leesbrillen beloofd. Voor het eerst heb ik, uit hoofde van mijn functie, maar geheel onvoorbereid want ik was niet op de hoogte gesteld, deelgenomen aan een bijeenkomst  “in het veld”, en wel aan een door Unicef gesponsorde bijeenkomst over seksueel overdraagbare aandoeningen, waarbij dorpsoudsten, in deze streek dikwijls de islam toegedaan, al dan niet in slaap vielen aan te kleine en gammele lessenaartjes, terwijl de trage door Unicef vrijgehouden Guiné-Bissause lerares met onvaste hand en met voortdurend brekend krijt geslachtsorganen op het verweerde schoolbord trachtte te tekenen. En nee, de puntjes boven penis en vagina waren niet de bacteriën van de aandoening (goede vraag van die oude in vaalwitte doeken verstopte oude man !), maar de schaamhaartjes. En even traag maakte ze van elk puntje een streepje alsof ze elk haartje eigenhandig moest implanteren……nog dieper werd bij de meeste oude mannen de slaap. Toen uit de voortkabbelende monoloog van de lerares viel op te maken dat zij voor al die door seksuele omgang ontstane medische narigheid wel een oplossing wist: het konijn uit de hoed: het condoom !, was het opeens gedaan met de rust van de oude islamieten, voor wie het overigens de eerste dag van de Ramadan was, dus niet zo slim gepland door Unicef. Nooit zou een islamiet een condoom kopen, laat staan omdoen ! De mannen werden er klaarwakker van en het gemopper was niet van de lucht. Er waren  er die opstonden en met hun vinger in de richting van de bordtekeningen en de beklagenswaardige lerares priemden. Kan het ook erger, je begint net aan een maand van seksuele onthouding omdat de profeet dat zo schijnt te willen en dan komt een onverlaat – en ook nog eens een vrouw - je vertellen dat je  straks als het over een maand weer mag je eerst een rubbertje over je uitgehongerde ding moet doen. Katholieke en animistische “groten” vertoonden hetzelfde afgrijzen, maar bij hen bleek de afkeer van het condoom niet zozeer in relatie te staan met het ongoddelijke karakter ervan als verstoorder van de door enig opperwezen voorgeschreven orde, maar meer met de prijs en de afname van het mannelijk plezier vanwege en na het omhullen van zijn geslacht. Moedeloos en lichtelijk angstig zeeg de trage lerares ineen achter haar tafeltje en keek ze me hoopvol aan voor een antwoord, voor een weerwoord haast, van die lange witte man uit Europa met het gitzwarte tweejarige kleindochtertje van een der deelnemers op schoot, dat zojuist diens broek onbekommerd had ondergepiest.  En zo geviel het dat ik opstond en het woord nam, met op kruishoogte een grote vochtplek in mijn broek, om me uit te spreken over het mannelijk genot als hij bij de vrouw naar binnen gaat, alsof ik wist waar ik het over had, en over het belangrijke onderscheid tussen gezondheid en religie. Ik had veel baat bij mijn ervaring met omgang met dogmatische islamitische ouders in moskee en school in Nederland en produceerde dus veel van respect getuigende onzin met een vleugje zin aan het eind (hoop ik). De katholieken en animisten waren blij met me, de islamieten deden alsof ze dat ook waren, want aardig en respectvol zijn is belangrijker dan je gelijk halen. En de lerares zong daarna mijn lof bij haar collega’s.

Bovenstaand verhaal is een fragment uit mijn in 2011 verschenen boek Vandaag Geen Koud Water. 

__________________________________________

2012

Witte heeft geen vrouw

Aan de waterput aan de rand van het bos wacht iedereen geduldig op zijn beurt, of op haar beurt moet ik zeggen, want voor en achter mij staan uitsluitend vrouwen van uiteenlopende leeftijd, bijna allen met een baby of peuter op de rug. De zon is net opgekomen en geeft nog meer kleur aan de mensen om mij heen en aan hun kleding.  Het opwaaiende stof, onvermijdelijk in de zanderige omgeving waarin we wonen, zorgt voor grijstinten op de gezichten van de mensen om me heen, die straks tijdens de weg naar huis met een emmer of teil op het hoofd, niet alleen door het af en toe over de randen van de emmers en teilen wegklotsende water maar meer nog door zweet van inspanning en hitte weggewassen zullen worden. In het vroege ochtendlicht zie ik op enige afstand van de put enkele mannen onder een boom zitten, ongetwijfeld familieleden van de rond de waterput wachtende vrouwen. En zoals ik deze buurmannen nu voor het eerst zie, zo zien zij voor het eerst in de nabijheid van hun vrouwen, dochters, moeders en tantes een lange witte man bij de put staan, ik ben de nieuwe buurman, gisteren verhuisd van de stad naar hun dorp. Mijn ochtendgroet wordt vriendelijk beantwoord. “Witte heeft geen vrouw ?”, stelt een van de mannen vervolgens vast, al giet hij uit beleefdheid zijn correcte waarneming in de vorm van een vraag. Ik weet na acht jaren Afrika dat deze frase niet een belangstelling voor mijn burgerlijke staat weerspiegelt, maar een bevreemding: een man hoort geen water te halen. In de lacherige discussie die volgt, wordt mij uitgelegd dat er voldoende vrouwen zijn in het dorp die dat voor mij kunnen doen, die kunnen bovendien mijn kleren wassen en mijn vloer schoonmaken. Als ik zeg dat ik zelf mijn huis schoonmaak en dat mijn tuinman niet alleen de tuin doet maar ook mijn kleren wast, is de vrolijke verwarring compleet. Rare witte, die ik er ben. Als het mijn beurt is geweest slof ik na uitgebreide wederzijdse groeten met aan elke hand een emmer water naar huis.

Als ik aan het eind van de middag, in het begin van de avondkoelte, op mijn veranda een boek zit te lezen zie ik een van de buurmannen van vanmorgen langslopen met – het is niet waar – aan elke hand een overvolle emmer water. “Zwarte heeft geen vrouw”, roep ik lachend, denkend daarmee snedig op de opmerking van vanmorgen terug te komen. Glimlachend loopt hij verder, terwijl hij voor zich uit roept: dit is water om cementblokken mee te maken. Oh, zeg ik een beetje sullig en ik besef dat witte weliswaar geen vrouw heeft, maar wel een vooroordeel had. Water halen is niet alleen voor vrouwen, vrouwen halen water voor vrouwenwerk, dat wel. Maar mannen halen ook water, namelijk  indien ze dat nodig hebben voor zwaar mannenwerk. En ze vervoeren dat water niet op hun hoofd, maar met hun sterke mannenarmen. Tenminste, in mijn dorp is dat zo.

Bovenstaand verhaal is eerder gepubliceerd in De Psycholoog, tijdschrift van het NIP, Nederlands Instituut van Psychologen.

______________________________________________________

2013

Vrouw op weg

Schuin tegenover mijn voortuin ligt een vrouw op de weg, niet aan de rand ervan maar midden op de weg. Ze ligt op haar rug, onbeweeglijk, wijdbeens en wijdarms, naakt met slechts een kleine kletsnatte reep textiel om haar middel die tegen de binnenkant van haar rechterdij plakt, zoals haar hoofd, naar rechts gedraaid, op het natte vuile plaveisel  geplakt lijkt. Haar ogen zijn wijd opengesperd en als ik me over haar heen buig hoor en zie ik tot mijn geruststelling een zware en regelmatige ademhaling. Volgens de omstanders  blijkt ze niet aangereden te zijn, maar gevallen te zijn of er zelf zijn te gaan liggen. Niemand schijnt haar te kennen, ook het dorpshoofd niet, die zich ook bij de gestaag  uitdijende groep toeschouwers heeft gevoegd. Sommige vrouwen roepen en schreeuwen tegen haar en trekken aan haar armen en benen, maar de vrouw geeft geen krimp en geen kik. Ik besluit een  bevriende verpleger te bellen, of-tie wil komen met een ambulance. Ons gesprek is nog niet afgelopen of de vrouw staat op, werpt de toeschouwers een woeste blik toe en rent in een verbazingwekkende snelheid midden over de weg zo’n honderd meter  van ons vandaan om daar weer in dezelfde houding op het wegdek te gaan liggen.  Dit herhaalt zich een aantal malen en de aanvankelijke reserve bij het publiek maakt gaandeweg plaats voor uitgelaten vrolijkheid. Als de vrouw pal naast onze waterput is neergestreken, komen twee oudere mensen vanachter de bosrand aangesneld. Zij blijken haar ouders te zijn. Met door mijn buurvrouwen aangereikte emmers beginnen ze water over haar heen te gooien, de door de regen al doorweekte aarde wordt een modderpoel. Als de ambulance met mijn vriend arriveert proberen haar ouders met hulp van enkele omstanders  haar van de grond omhoog te trekken, maar ze slaat wild om zich heen en probeert te bijten. Als mijn vriend door de modder glibberend naderbij komt en goedbedoeld zijn hand op haar onderarm legt, probeert ze ook daar haar tanden in te zetten. Bij de poging dat te voorkomen verliezen haar ouders hun evenwicht en vallen languit in de modder. Het publiek schatert het nu uit, de arme ouders toveren een meelijwekkende grimas tevoorschijn. Het is duidelijk dat vriend en ambulance niet veel kunnen betekenen, het ziekenhuis ook niet, want dat heeft geen psychiater, het hele land heeft geen psychiater. Er lopen dan ook nogal veel ernstig verwarde volwassenen door Bissau. Uiteindelijk lukt het de ouders en buurtgenoten de vrouw op de been te krijgen en naar huis mee te nemen. De buurtgenoten verspreiden zich, het begint al donker te worden.

Na een paar dagen staat de moeder van de vrouw aan mijn deur. De familie heeft besloten een ceremonie te doen om de kwade geesten uit haar hoofd te jagen en daarbij is een geit onontbeerlijk. Of ik die wil kopen. Ja, dat wil ik wel, wat kan je bij ontstentenis van psychiaters beter doen dan een geit kopen.

 

 

 

 

 

 

 

 

                                     Guiné-Bissau

                                                                  feiten,  ervaringen en beelden