Geschiedenis van Guiné-Bissau van 1956 tot 2004


Het is 25 april 1974 als de zogenaamde Anjerrevolutie een einde maakt aan het fascistische regime in Portugal. De omwenteling wordt in niet onbelangrijke mate bepaald door het diepe verlangen van zowel gewone soldaten als officieren om een einde te maken aan de uitzichtloze en bijzonder wrede koloniale oorlog in Angola, Mozambique en Guiné-Bissau. Portugal is niet alleen oorlogsmoe, maar ook moe van de repressieve binnenlandse politiek, belichaamd in de geheime politie de PIDE, die elke vermoede tegenstander van het regime nietsontziend vervolgt, opsluit en martelt, met niet zelden de dood tot gevolg. Op de dag dat de opstandige militairen van de Beweging van de Strijdkrachten, grotendeels “capitães” die in Afrika gevochten hebben,  toegejuicht door tienduizenden burgers het centrum van Lissabon binnenmarcheren, heeft de koloniale oorlog in Guiné-Bissau al ruim elf jaren geduurd. De positie van de Portugezen is daar onhoudbaar geworden vanwege het psychologische en militaire overwicht van de PAIGC, de Afrikaanse Partij voor de Onafhankelijkheid van Guiné-Bissau en Kaapverdië. De oprichter en leider van die partij, Amílcar Cabral, is dan ruim een jaar geleden in Conakry vermoord, door partijleden.  En op 24 september 1973 heeft de partij, bij monde van de 34-jarige guerrillacommandant João Bernardo Vieira, in Madina de Boé eenzijdig de onafhankelijkheid van de Republiek Guiné-Bissau uitgeroepen, een onafhankelijkheid die onmiddellijk door tientallen landen erkend wordt. Hogere Portugese militairen zullen later verklaren dat de Portugezen in 1974 of kort daarna in Guiné-Bissau een militaire nederlaag geleden zouden hebben als het fascistische regime niet ten val zou zijn gebracht en de koloniale oorlog gecontinueerd zou zijn. Kort na de aprilrevolutie, op 10 september 1974,  erkent de nieuwe Portugese regering de onafhankelijkheid van Guiné-Bissau. In 1975 zullen respectievelijk ook Mozambique, Kaapverdië, São Tomé en Principe, en Angola onafhankelijk worden.

Portugal heeft tot in het achtste decennium van de vorige eeuw met geweld geprobeerd zijn koloniale rijk, zijn “overzeese provincies”, in bezit te houden. Dat is vrij uniek. Ter vergelijking: de buurlanden van Guiné-Bissau werden in 1958 (Guiné Conakry), 1960 (Senegal) en 1965 (Gambia) onafhankelijk. In Afrika werden alleen Djibouti (1977), Zimbabwe (1980), Namibië (1990),  en Eritrea (1999) later onafhankelijk dan de Portugese ex-koloniën. Die vasthoudendheid van Portugal wordt niet alleen verklaard door de imperiale dromen van Salazar en vanaf 1968 van Caetano, maar ook en meer nog door de Koude Oorlog: de bevrijdingsoorlogen op Portugees koloniaal gebied waren ook manoeuvres van de strijd tussen het kapitalistische westen en het communistische oosten. Het dikwijls tumultueuze heden van Guiné-Bissau staat voor een deel in verband met die relatief late onafhankelijkheid: er zijn veel slachtoffers gevallen en de oorlogsinspanningen hebben jarenlange inzet, moed, pijn en verdriet van velen gevergd. Ook zijn er vanaf de oprichting van de PAIGC interne conflicten geweest, die tot reorganisaties, zuiveringen en soms ook gewelddadigheden leidden, zoals in het geval van de moord op Amílcar Cabral en de wraakacties die daarna plaats vonden . Tot in onze tijd spelen die oude interne partijconflicten naast onenigheid van jongere datum, een rol bij de oprispingen van gewelddadigheid in de sociaal-politieke werkelijkheid. Het is nu in 2010 pas 36 jaren geleden dat de onafhankelijkheid een feit werd, en het is pas 47 jaar geleden dat de bevrijdingsoorlog begon. En pas 16 jaar geleden zijn er voor het eerst democratische presidentsverkiezingen gehouden. Dat betekent dat er in elke familie nog ettelijke oud-strijders zijn, allen met hun eigen herinneringen, vervlogen dromen, oude idealen, oude teleurstellingen en loyaliteiten ook. Of met nieuwe idealen nadat de onafhankelijkheid niet bleek op te leveren wat destijds gehoopt werd.  Het betekent dat velen die nu een hoge politieke ,  maatschappelijke of militaire verantwoordelijkheid dragen oud-strijders zijn en ongeacht hun huidige, soms lijnrecht tegenover elkaar staande,  standpunten zonen en dochters van dezelfde eens nog prille PAIGC zijn. De oud-strijders - de “ex-combatentes”, wie beroemt zich er níet op het te zijn –, zij bepaalden en bepalen voor een groot deel het politieke en sociale klimaat, of ze nu president zijn of presidentskandidaat, minister-president, minister, partijvoorzitter of bevelhebber bij de strijdkrachten. Het zijn mannen – en soms ook vrouwen – die elkaar 30 tot 40 jaar geleden al kenden, die elkaar toen al vertrouwden of juist niet en die soms nog iets met elkaar uit te vechten hebben. Ze zijn allemaal ergens tussen de vijfenvijftig en vijfenzeventig jaar oud, de oudsten onder hen kunnen zich er ook nog op beroemen dat ze aan de wieg van de PAIGC hebben gestaan en dat ze de oprichter van de partij nog hebben gekend.

Amílcar Cabral, geboren in Guiné-Bissau, in de stad Bafatá, en grotendeels getogen in Kaapverdië en Portugal, is in 1956 de oprichter en eerste voorzitter  van de PAIGC (Partido Africano da Independência da Guiné-Bissau e Cabo Verde). De partij wordt o.a. geïnspireerd door de pan-Afrikaanse ideeën van Cabral, waarvan de bi-nationaliteit van de partij een afspiegeling is. Guiné-Bissau en Kaapverdië worden gezien als een eenheid. De Kaapverdianen hadden feitelijk een enorme invloed in Guiné-Bissau, waren van oudsher beter opgeleid en stonden dichter bij de Europese cultuur vanwege hun gemengde afkomst en de omstandigheid dat Kaapverdië geen inheemse bevolking heeft, de eilandengroep was onbewoond toen de Portugezen er in de vijftiende eeuw voet aan land zetten. Tijdens de Portugese overheersing vervullen Kaapverdianen niet zelden belangrijke administratieve functies, ze zijn de leiders van de lokale werkkracht voor de Portugezen. De nog jonge partij stelt zich in augustus 1959 achter de looneisen van stakende havenarbeiders in Bissau. Lissabon is al overstag gegaan en wil wel loonsverhoging geven, maar de plaatselijke bestuurder wil niet wijken voor druk van “inboorlingen”, ze moeten eerst maar eens aan de slag en dan zullen ze nog wel zien. Als op 3 augustus de Portugezen een feestje te vieren hebben vanwege de aankomst op het vliegveld van Bissau van de echtgenote van de militaire commandant, worden de stakers, die zich op de kade van Pidjiguiti bevinden omsingeld door de politie, die over hun hoofden heen begint te schieten. In paniek springen de stakers in het water. Als op dat moment de Europeanen op de terugweg van de luchthaven passeren, grijpt een van hen naar zijn geweer en begint systematisch op elk vanuit de golven opduikend hoofd te schieten. Ongeveer vijftig stakers vinden bij dit bloedbad de dood. Deze dramatische gebeurtenis leidt ertoe dat de partij haar strategische oriëntatie verandert. Was de strategie tot nu toe gericht op de belangen van loonarbeiders in de stad, vanaf het “bloedbad van Pidjiguiti” richt de partij zich ook op het mobiliseren van de bewoners van het platteland, de overgrote meerderheid van de bevolking van “Portugees Guiné”. Maar nóg blijft de strategie er een van politieke strijd en van dialoog met het koloniale regime. Oorlog is het nog niet, al worden er reeds krachten voor een oorlog verzameld en geeft Sekou Touré, de leider van het in 1958 onafhankelijk geworden Guiné-Conakry, toestemming tot het bouwen van militaire bases en installaties op zijn grondgebied. Alles blijft betrekkelijk kalm tot 23 Januari 1963, als guerrillastrijders van de PAIGC een gewapende aanval uitvoeren op het Portugese garnizoen van Tipe, in het zuiden van het land. De bevrijdingsoorlog is begonnen en zal elf jaren duren.

Zowel het begin van de oorlog als het verloop van de oorlog worden sterk bepaald door de opvattingen van Amílcar Cabral, die slechts de gewapende strijd zocht omdat er volgens hem geen andere mogelijkheid was om zich van de Portugese overheersing te bevrijden, maar die zich daarnaast sterk bewust was van het besmettingsgevaar van geweld. Uiteindelijk was voor hem het geweld van de bevrijdingsoorlog bedoeld om eenvoudige mensen , doorgaans boeren, vooruitgang te laten zien in hun leven en om in vrede te kunnen leven. Het is tragisch en bizar dat juist hij door geweld om het leven is gekomen en dat de lieden die zich sinds de onafhankelijkheid aan geweld hebben schuldig hebben gemaakt bijna allemaal uit de schoot van de PAIGC geboren zijn. Een groot deel van het succes van de bevrijdingsoorlog was gelegen in de strategie die in bevrijde zones werd toegepast: er werden scholen en medische voorzieningen gebouwd en boeren werden gestimuleerd tot politieke deelname en tot zelfbestuur, geen geringe opgave waar juist de Portugezen slechts geregeerd hadden via van boven opgelegde decreten. Toch had de benadering van die zogenaamde “volksdeelname” succes in de delen van het land waar de Portugezen al verdreven waren. Alleen door zelfbestuur zouden volgens de opvattingen van Cabral de boeren “de ketenen van het dorpsuniversum afwerpen en geleidelijk deel uitmaken van het land en de wereld”. Inderdaad hadden de boeren in belangrijke mate hun ketenen afgeworpen toen de bevrijdingsstrijd ten einde liep, maar die zouden na de bevrijding echter weer snel aangebonden worden. De Koude Oorlog woedde nog hevig en in die sfeer moesten de decentralisatie en de politieke deelname het al snel afleggen tegen het centralisme en de dwang van op de Sovjet-Unie en Cuba gebaseerde politiek-economische systeem waar de eerste PAIGC regering voor kiest.

De PAIGC staat bij de erkenning van de onafhankelijkheid van Guiné-Bissau door Portugal in september 1974 onder leiding van de broer van Amílcar, Luís Cabral. Deze wordt de eerste president van Guiné-Bissau. Zijn marxistische bewind voert een politiek ten gunste van een fusie met Kaapverdië. In 1980 wordt hij bij een staatsgreep, geleid door João Bernardo Vieira, de beroemde ex-strijder bij monde van wie zeven jaren eerder eenzijdig de onafhankelijkheid van het land werd uitgeroepen, afgezet. Vieira, die ook wel bewonderend en liefkozend “Nino” wordt genoemd, heft de grondwet op en stelt een Revolutionaire Militaire Raad in. Onmiddellijk na zijn staatsgreep maakt hij een einde aan de voorgenomen fusie met Kaapverdië en wordt de Guiné-Bissause tak van de partij afgesplitst van de Kaapverdische. Hij zal regeren tot 1999 als hij na een bloedige burgeroorlog het veld moet ruimen. Al eerder echter, in 1985, wordt een poging tot staatsgreep gedaan, het zogenaamde “geval 17 oktober”, ook wel “de rebellie van de Balanta” genoemd.

De Balanta zijn een van de grotere etnische groepen in Guiné-Bissau, die een belangrijke en doorslaggevende rol hebben gespeeld in de bevrijdingsoorlog en die nog steeds het grootste deel uitmaken van de strijdkrachten. Zij hebben ook een aandeel gehad in de staatsgreep van Vieira in 1980. Ze hebben hem toen aan de macht geholpen. Ze zouden hem ook weer kunnen onttronen, vooral als ze het gevoel hebben dat ze, als oude strijdmakkers van de president, niet serieus genomen worden, vernederd worden, en juist dat gevoel wordt steeds heviger tijdens het presidentschap van Vieira. Mede onder internationale druk moet de president  het leger hervormen, maar hij doet dat arrogant, is de indruk van velen en zonder rekening te houden met de belangen van zijn oude medestrijders. Ook zaait hij verdeeldheid in de samenleving en in het leger zelf door de etnische afkomst van individuele legerleiders te benadrukken, terwijl Guiné-Bissau juist zo trots is op haar nationalisme, op de niet-etnische basis van de PAIGC, die een succesvolle bevrijdingsoorlog mogelijk gemaakt heeft: “ramos do mesmo tronco, olhos na mesma luz”, takken van dezelfde stam, ogen in hetzelfde licht, zo wil het volkslied dat Guiné-Bissauers de multi-etniciteit van hun land beschouwen en bezingen. Maar Nino Vieira drijft een wig in die eenheid, zo wordt het gevoeld. Dit gevoel van teleurstelling ligt aan de basis van de poging tot staatsgreep die op 17 oktober wordt ondernomen onder leiding van legercommandant Paulo Correia en de jurist Viriato Pã. De staatsgreep wordt verijdeld en de beide mannen worden door het Militaire Tribunaal ter dood veroordeeld. Ze worden, met ettelijke anderen,  in 1986 gefusilleerd ondanks binnenlandse en buitenlandse verzoeken tot clementie. De terechtstellingen slaan een diepe wond in de Guiné-Bissause samenleving en in het leger zelf. Om zich verzekerd te weten van voortdurende steun van het leger zorgt Vieira ervoor dat andere Balanta in het leger hoge functies krijgen en zich daardoor aan hem verplicht voelen.

In 1991 keurt de PAIGC, mede onder internationale druk, maar waarschijnlijk meer nog vanwege het uiteenvallen van de Sovjet Unie, de invoering van een meerpartijen regeringssysteem goed en zo worden er in 1994 voor het eerst vrije presidentsverkiezingen gehouden, waarbij de PAIGC het voor het eerst in haar geschiedenis moet opnemen tegen andere partijen.  Nino Vieira is dan 14 jaar onafgebroken president geweest. In tweede ronde, op 7 augustus 1994,  leiden de verkiezingen tot een overwinning van Nino Vieira. Hij wint met 52,02 % van de stemmen en laat zijn belangrijkste tegenstander Kumba Yalá, die 47,98% van de stemmen in de wacht sleept, in het zand bijten. Yalá vecht de resultaten aan ofschoon de verkiezingen volgens internationale waarnemers zonder fraude of intimidatie zijn verlopen. Het Hoge Gerechtshof stelt Yalá  in het ongelijk en de resultaten worden geldig verklaard. Yalá accepteert de uitspraak maar verklaart dat zijn partij, de PRS, niet aan de nieuwe regering zal deelnemen.

Kumba Yalá is veertien jaren jonger dan Vieira, maar heeft nog wel als jongeman aan de laatste fase van de strijd tegen de Portugese overheersing deelgenomen. Hij is lid van de stam der Balanta en vertoont zich nooit zonder zijn rode wollen muts, het onderscheidingsteken van Balanta mannen die de initiatieriten naar de volwassenheid hebben doorgemaakt. Hij is vooraanstaand lid van de PAIGC, maar wordt in 1990 vanwege afwijkende ideeën geroyeerd. In 1992 richt hij de Partido para a Renovação Social (PRS) op, de Partij voor Maatschappelijke Vernieuwing. De strijd tussen de PAIGC en de PRS, die ook een strijd is tussen Vieira en Yalá,  zullen in sterke mate het politieke en sociale klimaat van de jaren na 1994 beïnvloeden.

Vanaf de overwinning van Vieira in 1994 nemen de beschuldigingen van corruptie van hem en zijn omgeving toe. Bovendien is het in het noorden van het land onrustig. Daar bevinden zich uitvalsbases van de afscheidingsbeweging van de zuidelijke Senegalese provincie Casamance. Die provincie heeft historische en culturele banden met Guiné-Bissau, voelt zich meer verbonden met de Portugese taal dan met de Franse en kan bij veel Guiné-Bissauers op sympathie rekenen. In 1998 beschuldigt Vieira de opperbevelhebber van de strijdkrachten Ansumane Mané van wapenlevering aan de separatisten, wat hem in een moeilijk parket zou brengen in zijn relatie met buurland Senegal. Op grond van die beschuldiging wordt Ansumane Mané ontslagen. Deze accepteert dat niet. In juni rukt hij met hem steunende opstandige militairen op om Vieira ten val te brengen. De opstand wordt door de overgrote meerderheid van de bevolking gesteund. De confrontatie tussen Ansumane Mané en Nino Vieira leidt tot een bloedige burgeroorlog, waarbij Vieira de hulp inroept van buurlanden Senegal en Guiné-Conakry. De stadsbevolking van Bissau vlucht naar het platteland en drieduizend buitenlanders verlaten het land. Op 7 mei 1999 wordt Vieira verslagen door Mané. Hij vraagt en krijgt politiek asiel in Portugal. Mané stelt Malam Bacai Sanhá van de PAIGC aan het hoofd van een overgangsregering en roept presidentsverkiezingen uit voor november datzelfde jaar. Het zal Vieira tot het eind van zijn leven nagedragen worden dat hij de gewapende steun van buurlanden heeft ingeroepen om tegen zijn eigen landgenoten te vechten.

In de tweede ronde van de door Ansumane Mané uitgeroepen  verkiezingen, in januari 2000, wint Kumba Yalá met 72% van de stemmen van de PAIGC-kandidaat Malam Bacai Sanhá. Het gaat al snel weer mis. De relatie tussen de nieuwe president Kumba Yalá en de legerleider Ansumane Mané wordt vertroebeld door wantrouwen, o.a. vanwege niet nagekomen beloften over nieuwe benoemingen binnen het leger. Mané verklaart dat hij de door Yalá aangestelde opperbevelhebber Veríssimo Correia Seabra niet accepteert en dat hij deze uit zijn functie zal zetten. Dit leidt tot een korte maar hevige gewapende strijd waarbij Mané vermoord wordt door regeringsgetrouwe troepen. Kumba Yalá ontpopt zich als een manipulerende en grillige autocraat. Hij ontwikkelt de gewoonte om ministers te ontslaan. Zijn financiële beleid wordt alom bekritiseerd en leidt tot het annuleren van de economische hulp van De Wereldbank en het IMF. Hij probeert zijn presidentiële bevoegdheden te vergroten en zendt geruchten de wereld in dat er een staatsgreep op komst is, wat op dat moment onwaarschijnlijk lijkt. In 2002 overweegt hij een oorlog tegen Gambia te beginnen omdat dat land naar zijn mening de oppositie in Guiné-Bissau steunt, ook al wordt dat door Gambia in alle toonaarden ontkend. In hetzelfde jaar sleept hij bij een staatsbezoek aan Libië1.400.000 Amerikaanse dollars in de wacht, cadeautje van Khadaffi, over de besteding waarvan geen opening van zaken wordt gegeven. Kort na dat snoepreisje, in november 2002, ontbindt hij het parlement, benoemt hij Mário Pires tot interim-minister-president en roept hij parlementsverkiezingen uit voor februari 2003. Keer op keer worden die echter op last van Yalá uitgesteld, de laatste keer naar oktober 2003. De burgerlijke ontevredenheid is enorm, geregeld ligt het hele openbare leven stil vanwege stakingen, o.a. vanwege achterstallige salarissen. Ook het leger mort vanwege achterstallige betalingen. Op 14 september 2003 is de maat vol en maakt een militaire staatsgreep onder leiding van de destijds door Yalá zelf benoemde opperbevelhebber Veríssimo Correia Seabra een einde aan het bewind van Kumba Yalá. Er vallen 24 doden. Seabra neemt tijdelijk het presidentschap op zich en installeert een Militair Comité ter Herstel van de Constitutionele Orde en de Democratie. Kumba  Yalá  krijgt huisarrest. Op 17 september verklaart hij dat van de macht zal afzien. Er wordt een politiek akkoord gesloten waarin wordt opgenomen dat het Kumba Yalá verboden is de eerstvolgende vijf jaren enige politieke activiteit te ontplooien. Eind september treedt een burgerlijke interim-regering aan, onder leiding van de onafhankelijke zakenman Henrique Pereira Rosa als president en de jurist Artur Sanha, vooraanstaand lid van Yalá’s partij PSD, als eerste minister.

Op 8 maart 2004 wordt het huisarrest van Kumba Yalá opgeheven. Na vrijlating verklaart hij dat hij voornemens is aan de verkiezingscampagne voor de PRS deel te nemen. Op 28 maart 2004 worden er dan eindelijk, langer dan een jaar later dan gepland, parlementsverkiezingen gehouden. De PRS van Kumba Yalá wint 35 van de 100 zetels in het parlement. Maar één partij is nog groter: de PAIGC. De PSD-er Artur Sanha moet het veld ruimen en Carlos Gomes Júnior van de PAIGC wordt minister-president. De interimregering roept op tot presidentsverkiezingen voor 19 juni 2005.  Voordat het zover is zal het land opnieuw opgeschrikt worden door politiek geïnspireerd geweld.

 

 

                                     Guiné-Bissau

                                                                  feiten,  ervaringen en beelden