______________________________________________

17 juli 2010

 



Als ik in maart en april 2010 vanuit Zambia in Guiné-Bissau ben, krijgt de beneden beschreven gebeurtenis van de aankomst van de eertijds verbannen admiraal Bubo Na Tchuto in het gebouw van de Verenigde Naties, inderdaad het  toen al gevreesde onrustbarende vervolg. Op 1 april verlaat hij, “opgehaald” door een groep aan hem loyale militairen, het gebouw van de Verenigde Naties. Kort daarna is het centrum van de stad in rep en roer nadat bekend is geworden dat een groep militairen onder leiding van de vice-opperbevelhebber van de strijdkrachten António Indjai, minister-president Carlos Gomes Júnior en opperbevelhebber van de strijdkrachten Zamora Induta gevangen heeft genomen. Het blijken dezelfde militairen te zijn als die kort daarvoor Bubo Na Tchuto geestdriftig onthaalden. Als met name de jonge bevolking van de hoofdstad in luide en vreedzame verontwaardiging tegen de poging tot staatsgreep en met name de gevangenneming van de minister president protesteert, roept een geagiteerde António Indjai uit dat hij de minister president zal vermoorden als de bevolking zich niet rustig houdt. Niettemin wordt de minister-president kort daarna vrijgelaten. De president doet later op de dag tot verbijstering van velen de affaire af als een “kwestie van militairen onderling”. De dag erna biedt António Indjai tijdens een persconferentie zijn verontschuldigingen aan “ aan het volk van Guiné-Bissau” vanwege zijn dreiging om de minister- president te doden. Hij zegt dat hij erg onder druk stond omdat er zoveel mensen op de been waren. Hij verklaart ook dat opperbevelhebber Zamora Induta niet op zijn post zal terugkeren. Op 6 april houdt de president  een “verzoeningsbijeenkomst” met Carlos Gomes Júnior en António Indjai en na afloop daarvan valt opnieuw op dat er verwoede pogingen gedaan worden om de aangrijpende en ingrijpende gebeurtenissen van enkele dagen daarvoor voor te stellen als een “onenigheid” en als een “interne militaire kwestie”, niks aan de hand zo luidt de boodschap, ieder gaat weer aan het werk. De vraag wie er dan nu opperbevelhebber van de strijdkrachten zal worden blijft vooralsnog onbeantwoord. De afgezette opperbevelhebber zit nog steeds gevangen.
Wie wilde geloven dat het alleen maar om een militaire kwestie gaat, wordt weer aan het twijfelen gebracht als op 8 april de regering van Obama bekend maakt dat de Amerikaanse bezittingen van Bubo Na Tchuto en van zijn ex-collega, de opperbevelhebber van de luchtmacht Ibraima Papa Camará, bevroren worden omdat beiden in verband worden gebracht met meerdere gevallen van drugshandel. Het wordt Noord-Amerikanen verboden om met deze heren handel te drijven. Hoe kunnen eenvoudige militairen van een van de armste landen van de wereld bezit in Amerika hebben, zo vraagt men zich op de terrassen in het centrum van de stad af. President Malam Bacai Sanhá, die zich steeds meer laat kennen als een specialist in understatements, merkt naar aanleiding van de beschuldigingen op dat  “het ernstig is als het waar is”. Groot is met name de internationale veronwaardiging als de president op 25 juni besluit om coupleider António Indjai te benoemen tot opperbevelhebber van de strijdkrachten. Met name de EU, de VN, de CEDEAO (Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten) en de CPLP (Gemeenschap van Portugeestalige Landen)  geven van hun kritiek en zorg blijk. Of de uitspraak van António Indjai op 21 juli, dat de militairen van nu af aan een voorbeeld van respect voor en gehoorzaamheid aan de politieke macht zullen zijn, voldoet om de kritiek en de zorg te doen verstommen en vooral om de veelgeplaagde bevolking hoop op een vreedzame en democratische toekomst te geven, waarin economische groei, welzijn, gezondheid en onderwijs een kans krijgen, moet helaas weer in angst en vrees - en met een tikkeltje hoop, belichaamd in de steeds kritischer en mondiger jeugd van het land – afgewacht worden.

_______________________________________________
6 februari 2010

Na mijn laatste vertrek uit Guiné-Bissau in april 2009 blijf ik natuurlijk de ontwikkelingen volgen. Kort voor de geplande presidentsverkiezingen van 28 juni wordt er weer een poging tot staatsgreep gepleegd. Het moorddadige geweld heeft blijkbaar met de dood van de president en de legerleider nog geen einde genomen. Er vallen weer twee doden: de ex-minister van Defensie Hélder Proença en de onafhankelijke presidentskandidaat Baciro Dabo. Naar verluidt zou de staatsgreep tot een afzetting van de interim-president en de minister-president hebben moeten leiden en tot afschaffing van het parlement. Daarna zou er een overgangsperiode van maar liefst 15 jaar hebben moeten ingaan. Op de lijst van vermoedelijke aanstichters komt ook weer de naam van de oud-marinebaas Bubo Na Tchuto voor, die na de poging tot staatsgreep van augustus 2008 naar Gambia gevlucht is en daar sindsdien in ballingschap leeft. Op 28 juni worden de verkiezingen gehouden. De PAIGC-kandidaat Malam Bacai Sanhá en Kumba Yalá van de PRS eindigen het hoogst met respectievelijk 39,59% en 29,42% van de stemmen. Omdat geen van beiden een absolute meerderheid verworven heeft, moet er een tweede ronde gehouden worden. Die vindt op 27 juli plaats en wordt gewonnen door Malam Bacai Sanhá, die 63,31% van de stemmen wint. Vanaf 29 juli is hij de president van Guiné-Bissau.

 

Niet voor de eerste keer in haar turbulente geschiedenis staat Guiné-Bissau nu op een tweesprong: het is een beetje of (weer) niets. De internationale gemeenschap is na de moordaanslagen van maart en juni kritischer dan ooit maar is tegelijkertijd redelijk positief gestemd vooral vanwege de goed verlopen verkiezingen van afgelopen jaar, verkiezingen die plaatsvonden na de moordaanslagen en die niettemin - zelfs in technische zin - goed verliepen.De verkiezingsuitslag wordt zowel door de bevolking als door het leger geaccepteerd. In de nieuwe situatie wordt door de internationale actoren een aanleiding en een rechtvaardiging gezien om weer een rondetafel conferentie over de ontwikkeling van Guine-Bissau bijeen te roepen. De Europese Unie is druk in de weer in het land met prioriteit voor “governance” en infrastructuur (o.a. energie). Er zijn ook plannen voor de hervorming van het justitieapparaat en het leger. China zal rivierhavens aanleggen en Japan gaat de haven van Bissau aanpakken. En natuurlijk staat het terugdringen van de drugshandel en de georganiseerde misdaad nog steeds hoog op de nationale en internationale agenda.
Wat het onderwijs betreft zijn de (achterstallige) salarissen nog steeds een groot struikelblok voor verdere ontwikkeling op dat gebied, zeker als het om toegang en kwaliteit gaat. Ook op dit moment is de politiek van het ministerie vooral “damage control”, een oude politiek, gevoerd door ettelijke voorgangers van de huidige minister, die bepaald niet tot ontwikkeling leidde, hoogstens verdere neergang voorkwam of uitstelde. Wel is er een algemene erkenning in de internationale gemeenschap dat het land verdere ontwikkeling wel kan vergeten als er geen prioriteit wordt gegeven aan het betalen, niet alleen van lerarensalarissen, maar ook van salarissen van werkers in de gezondheidszorg en de politie. Het zogenaamde Kortebaanplan voor het onderwijs is nog steeds in constructie, het wordt al ruim een jaar lang moeizaam geformuleerd in een overleg tussen het Ministerie van Onderwijs, Unicef, Plan International en UNDP en de ambassades van Portugal en Brazilië. Ook de SNV zit bij die vergaderingen aan. Begin 2010 is er nog geen hoop op een spoedige afronding van het proces van formuleren van het document, temeer daar de Wereldbank onlangs het model veranderd blijkt te hebben. De “damage control” zal noodzakelijkerwijze nog wel enige tijd de belangrijkste strategie van de minister van Onderwijs moeten blijven.
In het lichte optimisme dat waarneembaar is, komt vlak voor de jaarwisseling al weer een scheurtje, als blijkt dat de in 2008 naar Gambia verbannen oud-admiraal Bubo Na Tchuto clandestien over water Guiné-Bissau is binnengekomen. Hij zoekt zijn toevlucht in het gebouw van de Verenigde Naties in Bissau. Wat komt hij hier doen, vraagt iedereen zich af en sommigen vermoeden een beklemmend antwoord op die vraag. Het nieuwe jaar, 2010, begint met het uitleveringsverzoek van de regering van Guiné-Bissau aan de Verenigde Naties van weer een “old boy”, die verdacht wordt van een poging tot staatgreep en betrokkenheid bij drugshandel. En de onlangs gekozen president sukkelt met zijn gezondheid. Na opname in het ziekenhuis in Dakar, ligt hij nu in het militair hospitaal van Parijs. Het gaat hem goed volgens de laatste berichten.

_______________________________________________


 

                                     Guiné-Bissau

                                                                  feiten,  ervaringen en beelden